Ze stonden al jaren op mijn lijstje om te lezen, maar het kwam er nooit van.
Net als voor vele anderen was The Odyssey van Christopher Nolan aanleiding om dan toch écht eens in die klassieke werken van Homerus te duiken.
‘Je begint niet in deel twee’, dacht ik. Vol goede moed startte ik dan ook aan de Imme Dros vertaling van de Ilias op mijn e-reader. Het schoot niet op. Tegen de tijd dat de halve wereld de film al had gezien, was ik op ongeveer 20% van dat boek.
Bij het betreden van de bioscoop kende ik nog net de namen Agamemnon, Achilleus, Menelaüs en had ik Odysseus voorbij zien komen in de strijd. Verder moest ik het doen met wat ik mij nog herinnerde van de film Troy uit 2004, en wat flarden van een verhaal over een terugreis langs een eenogige monster en Sirenen.
Na het zien van Nolans epische vertolking, besloot ik met frisse tegenzin door te lezen. Met de gezichten van Matt Damon, Tom Holland en Anna Hathaway in gedachten, las ik stoïcijns door. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit niet altijd meeviel.
Maar ik hield vol! Zoals een gebronskuraste lansdrager die omver gespoeld dreigt te worden door een rivier -hij plengt een offer aan de riviergoden die niet geneigd zijn hem te sparen voor Hades- hield ik vol!
Zo ongeveer. (Homerus is er beter in.)
De Odyssee leest gemakkelijker weg dan de Ilias. Toch dragen beide verhalen een ongekende schoonheid in zich mee. Het is bloederig, geregeld bloedstollend en soms zomaar opeens bloedmooi. Tussen de onnodig specifieke omschrijvingen van slachtpartijen door, leerde Homerus mij met een hernieuwde blik kijken naar mijn eigen monotheïstische wereldbeeld. Terwijl de werelden soms niet verder uit lijken te liggen.
De Zoon van Kronos, Zeus, werpt zijn eigen vader omver, terwijl de Zoon van God Jezus Christus dienend verkiest zelf neer te dalen in het dodenrijk.
Eervol sterven als een krachtige krijgsheld als hoogst haalbare doel versus bereid zijn te sterven in zwakte en overgave.
En toch, om het met Brian McLaren te zeggen:
‘Telkens wanneer mensen gerechtigheid, vreugde, vrede, creativiteit, troost, bevrijding, heiligheid, schoonheid, liefde of iets anders goeds tegenkomen, ontmoeten ze op de een of andere manier de Geest, of op zijn minst de handtekening of nasleep van de Geest.’
- Brian McLaren (‘Naakte Spiritualiteit’, hoofdstuk 2)
En die zijn te vinden in de werken van Homerus. Hieronder drie van deze ‘handtekeningen’ waar ik na het lezen op bleef kauwen.
Er ligt schoonheid in het wachten
Het overgrote deel van de Ilias gaat over het wachten op Achilleus. Totdat hij eindelijk een keer over z’n wrok heen is en zich mengt in de strijd. Zijn boosheid is begrijpelijk, maar je voelt met de strijdende Achaïers (Grieken) mee: ‘kom op man!’
De Odyssee is ten diepste ook een verhaal over wachten. Wanneer zal Odysseus eindelijk thuiskomen? Na zoveel ontberingen, omzwervingen en tegenwerking van de goden, moet dat moment toch een keer komen? En zelfs als hij eindelijk aankomt op zijn geliefde Ithaka, duurt het nog hoofdstukken voor hij zichzelf écht openbaart.
Penelopeïa, de vrouw van Odysseus, wacht op misschien wel de meest beeldschone manier die ik ooit heb gelezen. Er huist een diepe tragiek in haar persoon. Haar bed is nat van de tranen. Ze kan niet geloven dat hij ooit terugkomt.
Wat mij diep ontroerde was de uiteindelijke ontmoeting tussen haar en Odysseus. Ze wikt en weegt en valt hem niet direct in de armen. Ze heeft zoveel wilde verhalen gehoord over haar man, dat zelfs als hij daadwerkelijk voor haar staat ze het niet kan geloven. Wachten lijkt zich te hebben verbonden met haar identiteit.
En dan die arme Telemachus. De zoon van Odysseus die moet wachten op een vader waar hij helemaal geen beeld van heeft. Slechts van horen zeggen. Hij moet treden in de enorme voetsporen van een wereldberoemde krijgsheld en koning, die hij nooit heeft gekend. Hij wacht op ‘zijn moment’ om de rol van leider op te pakken, maar die komt pas als hij zijn vader in de ogen kan kijken. In een cultuur waar ‘trots’ zo hoog in het vaandel staat, moet de diep existentiële behoefte aan erkenning van een vader een nog groter gemis zijn geweest.
Zijn verhaallijn raakte een onverwachtse snaar binnenin mij. Hoe zeer ik het ook probeer te verbloemen, uiteindelijk staat mijn leven bol van de zoektocht naar erkenning. Terwijl ik tegelijkertijd -zo goed en kwaad als het gaat- in mijn roeping of rol probeer te stappen. En Telemachus’ voorbeeld is krachtig. Hij wacht niet passief, maar besluit te bewegen in die verwachtingsvolle tussenruimte.
Homerus liet mij zien dat karakter wordt gevormd in de wachtkamers van ons leven. Daar toont zich ware liefde en loyaliteit. Maar het is geen vrijbrief om passief te blijven toekijken. Soms is het zelfs in het wachten tijd om naar jouw beste weten in actie te komen. Doen wat je kan, zonder bitter te blijven schreeuwen om controle over dat wat niet in jouw invloedssfeer ligt.
De wereld is vol van het heilige
De gekkigheid van de goden, ik houd ervan. Als het waar blijkt te zijn, dan zijn we wel de sigaar met z’n allen. Overgeleverd aan een stel losgeslagen figuren die met elkaar vechten en het bed delen. Goddelijke wezens die naar de wereld kijken als de Eredivisie, met de mogelijkheid om af en toe het veld op te stappen om eigenhandig te matchfixen.
Toch intrigeert zo’n pantheon aan goden mij als christelijke monotheïst mateloos. Het raakt namelijk aan iets fundamenteels wat ik zelf mis, of wat we in onze cultuur grotendeels zijn vergeten. De aanraking met het heilige in het alledaagse. Die ontzagwekkende klap onweer, dat kabbelende beekje, de onverwachtse dood van een geliefde, de uitzonderlijke gaven van bepaalde personen.
In de belevingswereld van Odysseus en zijn mannen was dit een reële werkelijkheid. Steekt er een onweersbui op, dan zal Zeus wel chagrijnig op ons zijn. Dobber je op een woeste zee, dan zal je Poseidon wel boos gemaakt hebben. Sterft iemand een snelle dood, wellicht dat Apollon met zijn boog raak heeft geschoten. De opkomende zon is ‘de stralende Eoos’ en ergens in de Ilias krijgt Achilleus het nog aan de stok met een lokale riviergod.
Het huist nog wel ergens in ons, denk ik. Een verlangen iets van dat goddelijke te ‘vinden’. In zijn artikel ‘The Odyssey and the Myth of Our Time’ over de verfilming van Nolan koppelt Jan Martijn Abrahamse dit aan een toentertijd meer ‘betoverde’ wereld, en haalt daarbij Max Weber aan die schrijft over onze tijd als één van ‘onttovering’.
Wij kijken fundamenteel anders naar de wereld om ons heen dan een Odysseus of Agamemnon dat deed. Wij leggen uit hoe de zon opkomt, en zijn verleerd ons erover te verwonderen. Wij doorgronden hoe bomen groeien, maar hebben geen taal meer voor het zien van goddelijke kracht daarin. Wanneer precies maakte de frustratie over het piepen van de wekker plaats voor de verwondering over het inslapen en ontwaken? Hoe kan het bewegen van één dag oude, verfrommelde vingers ons intussen niet meer ongecontroleerd doet uitbarsten in een luidkeels ‘halleluja’?
Een zonsverduistering onlangs (12 augustus 2026) had één dag heel de wereld in z’n greep. Een vriend appte een foto vanaf een Franse bergtop vol mensen met eclipsbrilletjes en noemde het ontroerend hoe zo’n gebeurtenis mensen leek te verwonderen. Alsof er iets heiligs in schuilging.
Gelovig of niet gelovig, we ervaren nog altijd iets onverklaarbaars bij het beklimmen van een berg, bij het voelen van de bast van een boom, het zingen van een kind, of met mijn dochter middenin de nacht opstaan om fluisterend te juichen bij het zien van de Perseïden.
Heel de wereld is doordrongen van het heilige. God is hierin alomtegenwoordig. Niet als vage kracht of talloze gefragmenteerde nimfen en riviergoden, maar als Persoon die elke nerf van een blad, trillen van een snaar en bollen van een zeil doordrenkt met zijn Adem.
Het lezen van Homerus maakte van mij geen polytheïst of pantheïst. Maar het doordrong mij wel meer van iets wat ik leek te zijn verloren: de mogelijke ontmoeting met God in de onverwachtse haarvaten van de schepping.
Een verhaal hoeft niet ‘af’ te zijn
Het verhaal van Odysseus kan je zeker ‘afgerond’ noemen. Het heeft een kop en een staart. De krijgsheld keert uiteindelijk terug, en neemt wraak op de vrijers die asociaal alles in zijn huis verbrassen.
Maar de Ilias voelt verrassend onaf. Achilleus mengt zich uiteindelijk in de strijd en verslaat de grote Hektor Priamuszoon van Troje (met de wuivende helmbos). Maar je leest niets over een paard van Troje, een overwinning op de Trojanen, of een aanzet voor de terugreis.
Zelfs het noodlot dat steeds als een Zwaard van Damocles boven Achilleus’ hoofd hangt wordt nooit ‘ingelost’. Hij zal sterven is de voorspelling, we maken het alleen nooit mee. In de Odyssee hangt hij met Agamemnon als schimmen rond in Hades, maar hij had -voor mijn gevoel tenminste- in de Ilias moeten sterven. Het verhaal van Achilleus is tot op zekere hoogte wel ‘rond’ te noemen, maar toch blijf je achter -als lezer in 2026- met de vraag: ‘en nu?’
Het deed mij denken aan het einde van het Evangelie van Markus. Hoewel dat met nog meer mysterie omhuld is. We eindigen daar met een leeg graf en een hele hoop verwarring. We weten uit de andere bronnen dat Jezus Christus uit de dood is opgestaan en dat hij verschijnt aan zijn volgelingen. Maar als je alleen Markus zou lezen, zou je achterblijven met dezelfde vraag: ‘en nu?’
Hoe belangrijk dit boek ook moge zijn voor de Westerse beschaving, een verhaal als de Ilias zou vandaag de dag waarschijnlijk niet snel in een boekhandel verschijnen. Het is een eindeloze lijst aan de meest bizarre slachtpartijen, geruzie tussen goden, en als bij achterstand uiteindelijk Messi het veld op wordt gestuurd in de drieëntachtigste minuut valt je wifi uit. Moedige uitgever die zich daaraan waagt!
Maar dat maakt het ook puur. Het heeft iets ruws, waar ik na het ploeterend lezen -want ja, dat was het regelmatig- door gegrepen werd. Vanuit het perspectief van Homerus was het boek af. Vanuit mijn blik als Westerse man in 2026 -met veel te veel afgeronde Marvel-films achter de kiezen- is het einde een mysterie. Het laat aan de verbeelding over om in te vullen hoe het verder gaat. En het geeft Odysseus -de man van list en bedrog- later bij de koning van de Faiaken de kans om werkelijk zijn verhaal te vertellen.
Veel verhalen van mensen worden zomaar afgebroken. Niemand weet op welke dag de laatste woorden van jouw boek hier op aarde worden geschreven. Deze zomervakantie werd ik mij daar pijnlijk bewust van toen er een traumahelikopter en vele ambulances op het strandje aankwamen waar wij in de zon lagen te bakken. Even stopte kinderen met glijden van de glijbaan, en keken mensen op van hun puzzelboekjes. Een reanimatie. Iemand balanceerde op het randje van de dood. Zomaar op vakantie. Misschien voor diegene pas in het voorwoord van zijn of haar verhaal.
Hoe het afgelopen is met diegene is mij onbekend. Maar het vervulde mij even met angst. Stel dat mijn verhaal plotseling eindigt. Verliest het leven waarde als niet alle vragen, mysteries en intriges zijn ingelost? Met mijn verstand zeg ik ‘nee’. Elk verhaal, hoe lang of kort, heroïsch of lafhartig ook, heeft waarde in zichzelf. Maar mijn gevoel zegt, als ik in de spiegel kijk, nog veel te vaak: ‘ja’.
Homerus hielp mij deze zomer om daar iets van vrede in te vinden.
Een groot deel van het leven bestaat uit wachten op wat ooit komt, zoals Telemachus en Penelopeia turen over zee in de hoop iets van hun Odysseus te zien. Wachten op wat God in mijn leven wil doen. Maar in elke rivier, elke zonsopkomst, elke klank schemert al iets door van God die dichtbij is. Zelfs in het wachten op een doorbraak, breekt Hij allang door glinsteringen op het water door in onze werkelijkheid. En ook als men ooit naar mijn verhaal zal kijken als onaf, zal dat verhaal van Gods glinsteringen doorgezet worden in de wereld die komt.


